Theorie Lezen

THEORIE 1 

  • Drogredenen
  • Drogredenen zijn argumentatiefouten. Een drogreden is een oneerlijke discussiemethode, een oneerlijke manier om je gelijk te halen. Een drogredenering lijkt op een goed argument, maar klopt eigenlijk niet. Daarom zijn deze valse redeneringen soms moeilijk te herkennen.  
  • In het 3F- examen kunnen de vijf meest voorkomende soorten drogredenen voorkomen:
  • 1) Aanval op de persoon:    
  • Door je tegenstander persoonlijk aan te vallen en zijn/ haar geloofwaardigheid in twijfel te trekken, wordt het argument naar beneden gehaald. Je kunt dit op drie manieren doen. 
    * Je kunt de aanval baseren op eigenschappen van de persoon. Voorbeeld: “Hij is zelf geen vrouw,    dus waarom zou hij zich druk maken om rechten van de vrouw?”
    * Je kunt de bedoeling van iemand erbij betrekken. Voorbeeld: “Door mee te doen met de wedstrijd wil hij alleen maar populairder worden!”
    * Of je kunt de tegenstelling in de daden van de persoon benoemen. Voorbeeld: “De vorige keer klopte het niet wat hij vertelde, dus waarom zou het nu wel kloppen?”
  • 2) Misbruik maken van autoriteit:          
  • Een argument kan extra waarde krijgen als een belangrijk persoon hetzelfde vindt of het argument kan ondersteunen. Pas alleen wel op dat je de juiste persoon hiervoor gebruikt. Dit voorbeeld: “Je koopt daar de lekkerste broodjes, want dat zei de minister-president.” klopt bijvoorbeeld niet.
  • 3) Overhaaste generalisatie:     
  • Deze drogredenering wordt vaak gebruikt als er snel een conclusie wordt getrokken. Als er in de krant een bericht verschijnt over een groepje jongeren dat een auto in brand heeft gestoken, wordt soms gezegd: “Kijk wat nou wat ze hebben gedaan. Zie je wel, alle jongeren zijn criminelen!” Dit is fout, omdat je niet iets over een grote groep mensen kunt zeggen naar aanleiding van een incident waarbij slechts een paar mensen waren betrokken.
  • 4) Cirkelredenering:
  • De cirkelredenering is precies wat de naam zegt. Het argument verklaart eigenlijk niets en je zegt twee keer hetzelfde. Voorbeeld: Ik heb geen zin in eten, want ik heb geen trek. Eigenlijk is het argument: “Daarom!”
  • 5) Populistisch argument:
  • a) Een spreker bespeelt het publiek. Voorbeeld: Donald Trump.
  • b) Beroep doen op de meerderheid: ‘Iedereen zegt het, dus is het waar.’

THEORIE 2

Onderstaande PDF-bestanden vind je ook in de digitale methode wanneer je de oefeningen maakt.

  • OVER DE OVERIGE INHOUD VAN HET EXAMEN
  • Het digitale examen bevat 45 tot 65 multiple choice-vragen (1 scorepunt per vraag). De teksten richten zich op burgerschap en loopbaanontwikkeling (politiek en staatsinrichting, economie, arbeidsmarkt, sociaal-maatschappelijke onderwerpen, gezondheid en leefstijl.)
  • Verschillende soorten teksten kunnen voorkomen
  • Uiteenzettende en beschouwende informatieve tekst:
  • Uiteenzetting: hierin wordt op neutrale toon informatie gegeven. Een onderwerp wordt van verschillende kanten belicht en meningen van verschillende personen/groepen worden verwoord. De eigen mening wordt weggelaten.
  • Het doel van een beschouwende tekst is de lezer te informeren, zodat de lezer zich een mening kan vormen. De mening van de schrijver of andere personen in de tekst (of het videofragment) is belangrijk.
  • Instructieve tekst: In een instructieve tekst krijgt de lezer informatie om beschreven handelingen uit te voeren.
  • Betogende tekst: Een betogende tekst is geschreven vanuit de overtuiging van de schrijver en heeft het doel de lezer te overtuigen.
  • In een tekst komen verschillende relaties door elkaar aan bod
  • oorzaak – gevolg
  • middel – doel
  • opsomming
  • hoofd- en bijzaken
  • meningen en feiten
  • argumenten en drogredenen
  • Begrijpen: tekstsoorten benoemen 
  • je weet wat de hoofdgedachte van een tekst is
  • je herkent relaties als oorzaak-gevolg, middel-doel, opsomming en dergelijke
  • je kunt onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken, meningen en feiten
  • je kunt onderscheid maken tussen standpunt en argument
  • je weet het verschil tussen een drogreden en een argument
  • Interpreteren 
  • je kunt conclusies trekken naar aanleiding van een (deel van de) tekst
  • je kunt conclusies trekken over de mogelijke intenties, opvattingen en gevoelens van de auteur, zoals blijkt uit de tekst
  • Evalueren 
  • je kunt het doel van de schrijver aangeven
  • je kunt de tekst opdelen in betekenisvolle eenheden
  • de functie van deze eenheden benoemen
  • je kunt de argumentatie in een betogende beoordelen (drogredenen)
  • de informatie in een tekst beoordelen op waarde voor zichzelf en anderen
  • Samenvatten 
  • je kunt de tekst samenvatten
  • Opzoeken
  • snel informatie vinden in langere rapporten of ingewikkelde schema’s
  • je weet wat de bron van een tekst is
  • je weet de betrouwbaarheid van bronnen te beoordelen