stap 5 – werkwoordelijk gezegde

UITLEG 1

Alle werkwoorden samen vormen het werkwoordelijk gezegde. In het werk-woordelijk gezegde komt altijd een persoonsvorm voor.

Het werkwoordelijk gezegde vormt samen met het onderwerp de korte zin. Deze korte zin geeft globaal de inhoud van de hele zin weer. Als je de korte zin kunt begrijpen, weet je zeker dat je het werkwoordelijk gezegde hebt gevonden, ook als de inhoud van de korte zin niet helemaal overeenkomt met de inhoud van de echte zin.

–   Ik heb een beschuit met aardbeien gegeten.

Je zoekt alle werkwoorden: heb gegeten

Je vormt de korte zin: onderwerp en werkwoordelijk gezegde.

Ik heb gegeten.

Deze korte zin is te begrijpen. Het werkwoordelijk gezegde is heb gegeten.

Voorbeelden

Zoek het werkwoordelijk gezegde in de volgende zinnen. Controleer voor de zekerheid je antwoord door de korte zin te maken.

–   Hebben / de honden / echt / in de vijver / gezwommen?

De werkwoorden in deze zin zijn hebben en gezwommen. Het werkwoordelijk gezegde van deze zin is hebben gezwommen.

Controle:

De korte zin is: Hebben de honden gezwommen? Deze zin is te begrijpen, dus hebben gezwommen is inderdaad het werkwoordelijk gezegde.

–   In het komende weekend / zullen / we / vast en zeker / gaan dansen.

De werkwoorden in deze zin zijn zullen, gaan en dansen. Het werkwoordelijk gezegde van deze zin is zullen gaan dansen.

Controle:

De korte zin is: We zullen gaan dansen. Deze zin is te begrijpen, dus zullen gaan dansen is inderdaad het werkwoordelijk gezegde.

UITLEG 2

Als je zeker weet dat er geen NG in de zin aanwezig is, dan is er een WG.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit de persoonsvorm en alle andere werkwoorden samen die bij de PV passen. Als er in een zin maar één werkwoord (de PV) staat, dan is dat werkwoord het WG. Als er meer werkwoorden in de zin staan, doe je de WG-proef: haal de PV weg en maak een nieuwe zin. Het woord dat dan de PV wordt, hoort ook bij het WG.

Een WG kan bestaan uit:

  • alleen een PV (leest);
  • een PV en één of meer andere werkwoorden, in de vorm van een voltooid deelwoord of een heel werkwoord (heeft gelezen, wil lezen) ;          
  • een PV en aan het en een heel werkwoord (is aan het lezen);
  • een PV en te en een heel werkwoord (zit te lezen);
  • een opgesplitst werkwoord (leest voor).

Een speciaal geval vormen de wederkerende werkwoorden : zich vergissen, zich schamen, zich herinneren etc. Dit zich (en de vormen waarin het kan veranderen in de 1e en 2e persoon:

Ik vergis me, Jullie schamen je) hoort ook bij het WG.

           O     WG        WG  

Dus: Wij | schamen| ons | voor ons gedrag.

 

OEFENZINNEN

1) De oude vrouw heeft haar jonge hondje gewassen.

2) Pieter van Buuren koopt altijd drop voor zijn moeder.

3) Heeft de duiker zijn bril wel opgezet?

4) Rem jij altijd voor overstekend wild?

5) Met dat instrument kon hij er snel achter komen.

6) In het buitenland redde de soldaat een kind.

7) De belastingdienst maakt het je niet makkelijker.

8) Hebben zij het ongeluk kunnen voorkomen?

9) Tijdens de Elfstedentocht hadden de schaatsers veel plezier.

10) Dat gebeurt je maar één keer in je leven.