stap 4 – naamwoordelijk gezegde

UITLEG 1

In een zin moet je altijd eerst nagaan of er een naamwoordelijk gezegde (NG) is, zo niet, dan is er een werkwoordelijk gezegde (WG).

Er is sprake van een NG als er voldaan is aan twee voorwaarden:

  • het belangrijkste werkwoord van de zin is een koppelwerkwoord (d.w.z. een vorm van zijn, worden, blijven, blijken, lijken of schijnen (en dunken en voorkomen);
  • er staat een woord of groepje woorden in de zin dat iets zegt over het onderwerp (een kenmerk of een eigenschap van het onderwerp).

Het NG bestaat dan uit alle werkwoorden van de zin (werkwoordelijk deel) en het woord of groepje woorden dat iets zegt over het onderwerp (naamwoordelijk deel)

(Het belangrijkste werkwoord in de zin is natuurlijk de PV als er maar 1 werkwoord in de zin staat. Als er 2 werkwoorden in de zin staan, is de PV juist een hulpwerkwoord en is het andere werkwoord het belangrijkste werkwoord. Als er 3 werkwoorden in de zin staan, moet je als proef de PV weghalen; het werkwoord dat dan op de plaats van de PV moet komen te staan, is het hulpwerkwoord, het andere werkwoord is het belangrijkste werkwoord.)

Pas als je zeker weet dat er geen NG is (bijv. als er helemaal geen koppelwerkwoord in de zin staat), kun je overgaan naar het WG.

Let op: de genoemde werkwoorden zijn niet altijd koppelwerkwoord, d.w.z. ze koppelen niet altijd een eigenschap of kenmerk aan het onderwerp.

Als je in een zin een NG gevonden hebt, hoef je niet te zoeken naar een LV, dat staat nl. nooit in een zin met een NG.

UITLEG 2 

Ga naar: https://www.jufmelis.nl/woordsoorten/Koppelwerkwoorden/uitleg