stap 3 – onderwerp

Het onderwerp en de persoonsvorm in een zin zijn op elkaar afgestemd: als het onderwerp in het enkelvoud staat, staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud en bij een meervoudig onderwerp hoort een persoonsvorm in het meervoud:

–     De jongen leest strips.                       –     De jongens lezen strips.

Het onderwerp van een zin kun je op diverse manieren vinden:

  • Door de vraag te stellen: wie of wat + persoonsvorm? Wie of wat leest? De jongen
  • Door de zin vragend te maken. In de nieuwe vraagzin staat het onderwerp meteen na de persoonsvorm.

Leest de jongen strips?

  • Door de persoonsvorm van het enkelvoud naar het meervoud om te zetten of andersom.

De jongen leest strips.                           –   De jongens lezen strips.

Als een zin in de gebiedende wijs staat, ontbreekt het onderwerp:

–   Verdwijn uit mijn ogen!

Voorbeelden

Zoek het onderwerp in de volgende zinnen. Doe dit op twee manieren.

–   De kleuters / hebben / met zand en water / geknoeid.

Wie of wat hebben geknoeid?

De kleuters hebben geknoeid, dus De kleuters is het onderwerp.

  • Als je de zin vragend maakt, komt de kleuters meteen na de persoonsvorm.

–   Hebben de kleuters met zand en water geknoeid?

  • Als je de persoonsvorm in het enkelvoud zet, verandert het onderwerp mee.

–   De kleuter heeft met zand en water geknoeid.

–   Eten / jullie / die kip / vandaag / op?

Wie of wat eten?

jullie eten, dus jullie is het onderwerp.

  • Als je de zin vragend maakt, komt jullie meteen na de persoonsvorm.

–   Eten jullie die kip nog op?

  • Als je de persoonsvorm in het enkelvoud zet, verandert het onderwerp mee.

–   Eet jij die kip nog op?