meewerkend voorwerp

UITLEG 1

Het meewerkend voorwerp is het zinsdeel dat iets ontvangt. Het meewerkend voorwerp kan beginnen met het voorzetsel ‘aan’ of ‘voor’. Maar je kunt het voorzetsel ook vaak weglaten.

Met deze vraag vind je het meewerkend voorwerp:
aan wie/voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Voorbeeldzin: Denise stuurde ons een mailtje.

Vraag: aan wie/voor wie stuurde Denise een mailtje?
Antwoord: ons
Dus ons is het meewerkend voorwerp.

UITLEG 2

Als je hebt gecontroleerd of er een lijdend voorwerp in de zin staat, is de volgende stap het zoeken naar een meewerkend voorwerp.

Het meewerkend voorwerp ‘werkt als het ware mee’; het meewerkend voorwerp is dan ook meestal een mens of een ander levend wezen. Vaak herken je het, omdat het zinsdeel met aan of voor begint. Als dat er niet staat, kun je het er vaak voor denken. Soms moet je de zin daarvoor een beetje veranderen.

Ik geef moeder de bloemen – Ik geef (aan) moeder de bloemen. – Ik geef de bloemen aan moeder.

Heb jij hem dat boek uitgeleend? – Heb jij (aan) hem dat boek uitgeleend? – Heb jij dat boek aan hem uitgeleend?

Je kunt het meewerkend voorwerp niet altijd herkennen aan de woorden aan of voor. Soms kun je er ook het woordje bij voor denken:

–   De tranen schieten (bij) mij in de ogen.

Meestal vind je het meewerkend voorwerp als je de volgende vraag stelt:

Aan wie (of wat) of voor wie (of wat) + de rest van de zin?

Het antwoord op de vraag is dan het meewerkend voorwerp.

Niet elke zin heeft een meewerkend voorwerp. Als de woorden aan of voor een plaats aanduiden, is er geen sprake van een meewerkend voorwerp.

Voorbeelden

Zoek het meewerkend voorwerp in de volgende zinnen. Ontleed de zin in de juiste volgorde.

–   Hebben / jullie / iets / aan het goede doel / gegeven?

Je stelt de vraag: aan wie of voor wie hebben jullie iets gegeven?

Het antwoord op deze vraag is: aan het goede doel.

Je kunt aan wegdenken: Hebben jullie het goede doel iets gegeven?

Het meewerkend voorwerp is aan het goede doel.

–   Zou / je / voor mij / een boodschap / willen doen?

Je stelt de vraag: aan wie of voor wie zou je een boodschap willen doen?

Het antwoord op deze vraag is: voor mij.

Het meewerkend voorwerp is voor mij.