lijdend voorwerp

UITLEG 1
LIJDEND VOORWERP
Met deze vraag vind je het lijdend voorwerp:
wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?

  • Ik heb hem gezien.

Vraag: wie/wat heb ik gezien?
Antwoord: hem
Dus hem is het lijdend voorwerp.

UITLEG 2

Als je het onderwerp en het gezegde van de zin hebt gevonden, ga je kijken of er een lijdend voorwerp in de zin staat. Een lijdend voorwerp is het zinsdeel dat de handeling ondergaat:

–   Jan eet een banaan.

De banaan ondergaat de handeling: de banaan wordt opgegeten.

–   De kat vangt een muis.

De muis ondergaat de handeling: hij wordt gevangen.

Je kunt het lijdend voorwerp vinden door de vraag te stellen: wie of wat + onderwerp en gezegde?

–   Mijn vader leest de krant.

Wie of wat leest mijn vader?

Het lijdend voorwerp van deze zin is de krant.

Niet elke zin heeft een lijdend voorwerp. In een zin waarin een naamwoordelijk gezegde staat, komt geen lijdend voorwerp voor.

Een lijdend voorwerp begint niet met een voorzetsel. 

 

Voorbeelden

Zoek het lijdend voorwerp in de volgende zinnen.

–   Wij / hebben / in het tuincentrum / veel kamerplanten / gekocht.

Wie of wat hebben wij gekocht?

Het lijdend voorwerp van deze zin is veel kamerplanten.

–   Mijn vriendin / heeft / haar buren / al een maand / niet / gezien.

Wie of wat heeft mijn vriendin gezien?

Het lijdend voorwerp van deze zin is haar buren.

De nieuwe bewoner van dat oude huis / heeft / op zolder / een koffer met munten / gevonden.

Wie of wat heeft de nieuwe bewoner van dat oude huis gevonden?

Het lijdend voorwerp van deze zin is een koffer met munten.